(DOC, 1 MB)
Koen De Schrijver1 , Sophie Bertrand2 , Daniel Van den Branden3 , Jef Van Schaeren4 , Eva Van Meervenne5 , Walter Van De Staey6 , Kim Camps7
Samenvatting
Shigellose is een acute, besmettelijke bacteriële darminfectie. In 2008 zijn er in Antwerpen drie merkwaardige clusters geregistreerd die aantonen dat shigellose nog steeds endemisch voorkomt In 2008 registreerden we een groepsinfectie in de joodse Antwerpse wijk met 42 gevallen veroorzaakt door S. sonnei. Een tweede cluster van 23 gevallen met S. flexneri B1 werd beschreven in een bejaardentehuis. En ten slotte werd er een derde mini-uitbraak met 4 gevallen van S. sonnei geregistreerd in het kader van een laboratoriuminfectie. De hoge besmettelijkheid, de aanslepende besmettelijkheidsduur, de problematische hand- en toilethygiëne van jonge kinderen en het hebben van veel nauwe contacten zijn gemeenschappelijke risicofactoren. Shigellose is een vrij imposante darminfectie waarbij hoge koorts en slijmerige of soms bloederige diarree het ziektebeeld kunnen domineren. Sinds enkele jaren is de eerste keuze antibioticabehandeling in ons land wegens de toenemende resistentievorming gewijzigd. Bij volwassenen zijn fluoroquinolones de eerste keuze en bij kinderen geldt dit voor de derde generatie cefalosporines.
^top
Inleiding
Shigellose is een acute hoog besmettelijke bacteriële infectie van de terminale ileum en het colon die veroorzaakt wordt door een besmetting met de Gramnegatieve Shigella-bacterie (1). In ons land kwamen S. sonnei (67%) en S. flexneri (24,9%) in 2007 het meest frequent voor. Isolaties van het toxineproducerende S. dysenteriae-species en van S. boydii zijn sinds 2000 uitzonderlijk (2).
In zijn typische vorm presenteert een shigellose zich als een bacillaire dysenterie die gekenmerkt wordt door koorts, slijmerige of bloederige diarree en algemene ziektesymptomen. Maar ook milde vormen zonder koorts en slechts lichte diarree kunnen deel uitmaken van het klinische profiel (1). Shigellose is een erg besmettelijke ziekte met een opmerkelijk lage infectiedosis in orde van grootte van minder dan 200 bacteriën (1). De ziekte wordt feco-oraal via de handen of indirect via gecontamineerde voorwerpen, water of voedsel overgedragen (1,3,4). Geclusterde grotere uitbraken worden in ons land relatief zelden beschreven (2).
Stukje geschiedenis
In het verleden echter kwamen in ons land epidemieën van dysenterie regelmatig voor. Een van de oudste gedocumenteerde uitbraken was in 1779 in Namen en omstreken. Van der Belen en Michaux, twee Leuvense onderzoekers, maakten toen gewag van een aanslepende ‘Rooden Aanstekenden Loop’ die het gevolg geweest zou zijn van een te droge, te hete zomer en een slechte oogst. Deze ‘Aanstekende Rooden maar ook Galachtigen Loop’ kon volgens hen maar het beste bestreden worden met een degelijk braakmiddel zoals Ipacacuanhahout en met producten zoals ‘rhubarber en tamarinde’. De bedoeling was de ‘ziekteverwekkende sappen’ zo snel mogelijk kwijt te raken (5). Of het nu echt om shigellose ging of een amoebendysenterie of een andere ziekte met bloederige feces zal wel onbekend blijven. Het heeft inderdaad tot 1906 geduurd voordat Shiga een kleine Gramnegatieve onbeweeglijke staaf in kaart bracht die het causale agens bleek te zijn van bacillaire dysenterie (1,4). De Entamoeba histolytica werd al in 1875 door Losh geïdentificeerd (4).
^top
Methode en data
Shigellose was in 2008 een meldingsplichtige ziekte maar isolaties van de bacterie werden ook geregistreerd door het netwerk van microbiologische laboratoria en door het referentielab voor Salmonella en Shigella van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) (2,7). Tijdens het inventarisatieonderzoek bij de diverse outbreaks werden ook bijkomende gevallen opgespoord door de onderzoekers. Patiënten, hun ouders, hun begeleiders en hun artsen werden schriftelijk of mondeling bevraagd via een gestandaardiseerde vragenlijst waarbij demografische, klinische, microbiologische en epidemiologische informatie qua risicocontacten werd verzameld.
Voor de shigellosecluster in de joodse Antwerpse gemeenschap was de gevalsdefinitie van een vermoedelijk shigellosegeval bepaald als volgt: elke patiënt uit de wijk die tussen 17 maart en 31 augustus 2008 een klinisch beeld ontwikkelde dat gekenmerkt was door koorts, buikpijn en een slijmerige of bloederige diarree. Tevens moest er een direct verband (gezin, klas) zijn met een patiënt bij wie in de feces S. sonnei werd aangetoond. Een bewezen shigellosegeval was een patiënt met S. sonnei in de feces waarvan de moleculaire samenstelling identiek was aan het type dat verantwoordelijk was voor de uitbraak.
Voor de cluster met de laboratoriuminfecties golden de volgende criteria: het oplopen van een klinische shigellose, werken als werknemer in het laboratorium van het betrokken ziekenhuis, ziek zijn geworden in augustus 2008 en het terugvinden van een identieke S. sonnei in de feces.
Voor de shigellosepatiënten uit de bejaardeninrichting met 49 bewoners was de voorwaarde dat zij of als personeelslid of als resident van het betrokken rustoord een klinische shigellose doormaakten in november 2008. Om als geconfirmeerd beschouwd te worden moest in de feces het species S. flexneri B1 teruggevonden worden.
Tijdens het epidemiologisch onderzoek werden de contacten in kaart gebracht en ook werden als dat mogelijk was attack rates en leeftijdspreidingen berekend. Bij de diverse outbreaks werden de risicofactoren geanalyseerd. Fecesculturen werden onderzocht op antibioticaresistentie. Via Pulsed Field Gel Electrophoresis (PFGE) werden gelijkenissen en verschillen tussen de genotypes geëvalueerd. Hierbij werd het Pulse Net protocol gevolgd waarbij het restrictie-enzyme XbaI werd gebruikt met een concentratie van 40 U enzymes/plugs. Dit onderzoek werd uitgevoerd in het referentielaboratorium voor Shigella van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV).
^top
Shigellosecluster met S. sonnei in de joodse wijk van Antwerpen in de zomer van 2008
Tussen 17 april en 31 augustus 2008 werden er 42 shigellosegevallen geregistreerd bij joodse mensen die in de buurt woonden van het centraal station en het stadspark in de Antwerpse binnenstad. Van de 42 gevallen beantwoordden er 32 aan de definitie van geconfirmeerde shigelloseoutbreakgevallen met de identificatie van S. sonnei in de feceskweek. In 10 van de gevallen ging het om gevallen die beantwoordden aan de definitie van een waarschijnlijk outbreakgeval. De epidemische curve vertoonde drie pieken en het grootste aantal nieuwe gevallen werd genoteerd in de tweede week van juni 2008 (figuur 2).
Figuur 1 Spreiding naar tijd shigellosecluster stad Antwerpen 2008

De woonplaats van de patiënten werd via het Geographical Information System (GIS) uitgezet op de kaart (figuur 2).

Figuur 2 Spreiding naar woonplaats shigellosepatiënten cluster Antwerpen 2008
*Gevallen zijn als lichtgroene (1 geval per adres), groene (2 gevallen) lichtblauwe (3 gevallen) en donkerblauwe (4 gevallen) stippen op het kaartje aangebracht.
De leeftijd van de patiënten varieerde van 10 maanden tot 60 jaar met een mediaan van 4,1jaar. Van de 42 patiënten waren er 29 (69%) jonger dan vijf jaar. Drie (7%) patiënten waren volwassenen.
Bij de 32 geconfirmeerde gevallen werden S .sonnei-stammen gevonden die met PFGE niet van elkaar onderscheiden konden worden. Het merendeel van de kweken gebeurden in het microbiologisch laboratorium van het Sint-Vincentiusziekenhuis. Bevraging toonde aan dat er alleen joodse mensen in de patiëntengroep zaten.
Van het totale aantal van 42 gevallen vertoonde 43% een dysenteriebeeld met bloederige of slijmerige stoelgang en hoge koorts en 57% ontwikkelde enkel een milde diarree zonder algemene symptomen. Gezinsinfecties waren verantwoordelijk voor 28/42 of 66,6% van de gevallen. Infecties in klasverband zagen we zes (23,8%)secundaire gevallen. In gezinsverband kon een secundaire attack rate van 8,3% (21/252 gezinscontacten) berekend worden. Negen van de 42 gevallen deden zich voor in schoolverband.
Achttien (42,8%) van het totale aantal patiënten werden in het ziekenhuis opgenomen. De gemiddelde ziekteduur bedroeg 6 dagen. Er werden tijdens de therapie geen majeure complicaties genoteerd.
Achtentachtig (37/42) procent van de shigellosegevallen werd met antibiotica behandeld. Cotrimoxazole was in 53% van de gevallen het eerste keuze antibioticum.
PFGE toonde aan dat de geïsoleerde stammen niet van elkaar onderscheiden konden worden (Figuur 3).
in ons land
Figuur 3. PFGE van geïsoleerde stammen Shigellacluster Antwerpen WIV 2008

Bij de inperking van de cluster werd geïnvesteerd in diagnostische en therapeutische adviezen aan ouders en artsen, het bijsturen van de schoolhygiëne en het tijdelijk weren van symptomatische kinderen uit de scholen. In dit verband werd er samengewerkt met de Centra voor Leerlingen Begeleiding.
^top
Shigellose in een ziekenhuislaboratorium
Bij drie laboranten werd in augustus 2008, op een week tijd in de feces een identieke stam van S. sonnei teruggevonden. Een van de laboratoriumwerkers had zich besmet bij het manipuleren van een feceskweek van een patiënt die uit de Dominicaanse Republiek kwam. De stammen van deze patiënt en die van de laboratoriumwerkers waren identiek. Opmerkelijk was dat slechts een van de laboratoriummedewerkers direct contact had gehad met de oorspronkelijke stam. Veegculturen van werkoppervlakken, telefoon en toiletbril die enkele dagen na detectie uitgevoerd werden, waren negatief. De laboratoriummedewerkers maakten slechts een mild ziektebeeld door dat in de eerste instantie door hen geminimaliseerd werd. Volgens de anamnese bij de werknemers was er geen sprake van een accident, morsen of breuk van materiaal. Vermoedelijk lag een contaminatie van de rand van het petrischaaltje en een hand-mondcontact, of het toch vergeten van het wassen van de handen, aan de basis van de infectie.
^top
Shigella outbreak met S. flexneri in bejaardenhuis
In een rustoord voor bejaarden met 112 bewoners werd tussen 29 oktober en 15 november 2008 bij 23 personen shigellose vastgesteld. Elf gevallen deden zich voor bij personeelsleden en 12 bij bewoners (tabel 1). Alle gevallen kwamen voor op één verdieping (12/49) waar 49 bewoners verbleven.
Van de 23 gevallen werden er 6 geconfirmeerd met identificatie van een identieke stam: Shigella flexneri 1B. Van alle residenten op de specifieke afdeling ontwikkelden er 12/49 (24,4%) shigellose (figuur 4). Elf van 25 personeelsleden (11/25) (44%) maakten een gelijkaardige ziekte door die gekenmerkt werd door overwegend bloederige, slijmerige en koortsige diarree. De indexpatiënte was 87 jaar en vertoonde 4 dagen voor de uitbraak de eerste ziektetekens. De precieze besmettingsbron van het indexgeval kon niet gevonden worden. De leeftijd van de shigellosepatiënten bij de residenten varieerde van 49 tot 97 met een gemiddelde van 91 jaar. De gemiddelde ziekteduur bedroeg acht dagen.
Moleculair onderzoek toonde aan dat de stammen niet van elkaar te onderscheiden waren.
Door antibioticabehandeling (chinolonen) van de patiënten met symptomen, isolatie op de kamer, opgevoerde handhygiëne bij het personeel door gebruik van alcoholgel, specifieke kledij (schorten, handschoenen) kon na een week de uitbraak ingeperkt worden tot een verdieping van het home. Er werden geen majeure complicaties beschreven en geen enkele resident werd in het ziekenhuis opgenomen.
Tabel 1 Overzicht van de klinische en geconfirmeerde shigellosegevallen in een bejaardenhuis in Antwerpen in 2008
|
N
|
Klinisch
|
Geconfirmeerd
|
Totaal (%)
|
Bewoners home
|
49
|
7
|
5
|
12
|
Personeel
|
25
|
10
|
1
|
11
|
Totaal
|
74
|
17
|
6
|
23
|
Figuur 4 Spreiding naar tijd shigellosegevallen bejaardentehuis november 2008

^top
Bespreking
Hoewel er jaarlijks enkele honderden isolaten van Shigella-species geregistreerd worden, worden er in ons land toch zelden clusters in kaart gebracht. Meestal is er wel sprake van enkele secundaire gevallen binnen het gezin, maar uitdijende infecties in een wijk of in een deel van de populatie worden zelden gedocumenteerd. Hetzelfde geldt voor Shigella-clusters in bejaardentehuizen. Maar zoals bij andere laboratoriuminfecties is een wisselende graad van onderrapportering en onderdiagnose niet uitgesloten (8).
Besmettingswijze
Alle drie de uitbraken zijn een illustratie van de grote besmettelijkheid van een Shigella- infectie. De combinatie van een lage infectiedosis - tweehonderd kolonies volstaan -, en de overleving van de bacteriën op tal van oppervlakken verklaren de hoge graad aan secundaire infecties. Vooral vochtige plaatsen met een relatief hogere temperatuur en weinig UV-stralingsinval verhogen de kwetsbaarheid (1,4). Dit is klassiek het geval voor toiletruimtes en specifiek voor toiletbrillen. In omstandigheden waar toiletten gedeeld worden en waar nauw contact en contact met fecale deeltjes niet uitgesloten zijn, zijn dit optimale sites voor verdere verspreiding. Grote gezinnen met kinderen jonger dan vijf jaar zijn kwetsbaar voor secundaire infecties (1,4). In de studie van de joodse populatie werd dit aangetoond via de berekening van significante associatiegraden. De aanwezigheid van kinderen die luiers dragen of de impact van ziekenhuisverblijf op de secundaire besmettingskans kon statistisch niet aangetoond worden. Vermoedelijk werd dit verklaard door het beperkte aantal gevallen. Verder zijn er in die groep nog extra familiale banden die de spreiding kunnen versterken. Een bijkomend element is het feit dat ook weinig symptomatische gevallen zijn beschreven maar ze kunnen wel mee verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van de ziekte. Hetzelfde geldt voor symptomatische patiënten die na het verdwijnen van de manifeste symptomen en na behandeling nog wel tijdelijk besmettelijk kunnen zijn. In de populatie van de Antwerpse joodse mensen konden we een secundaire attack rate bepalen van 8,3% in gezinsverband. Secundaire besmettingen in gezinsverband zoals hier beschreven komen volgens de literatuur voor in orde van grootte van 5 tot 25% afhankelijk van de leeftijd van de aanwezige kinderen (1). Naar samenhang toe kon aangetoond worden dat een zelfde stam verantwoordelijk was voor de diverse besmettingen in de wijk.
Ondanks het feit dat men in de bejaardeninstelling in kwestie op een hygiënische manier werkte, is een rustoord een kwetsbare instelling voor gastro-intestinale incidenten. Familiale omgangsvormen, hulpbehoevende oude mensen en het samenleven in groep vergemakkelijken de kans op besmetting van zodra een persoon met een erg besmettelijke ziekte deel uitmaakt van de populatie.
Infecties in laboratoriumverband blijven zeldzaam maar ook hier is er waarschijnlijk een belangrijke graad van onderrapportering en onderdiagnose. Het toepassen van vaste procedures, training, opleiding en toezicht zijn belangrijke elementen ter preventie. Een Shigella-infectie is een van de ziekten die in laboratoriumverband kan worden opgelopen (8-14). Maar het is toch opmerkelijk dat slechts enkele jaren geleden in een gelijkaardig ziekenhuislaboratorium in ons land een quasi identieke besmetting beschreven werd (8).
Ook voedsel, water en vliegen kunnen aan de basis liggen van een infectie. Recent zijn er in Europa nog shigelloseclusters beschreven waarbij de inname van voedsel aan de basis lag van de infectie (15,16). In deze studie hebben we geen directe argumenten om aan te nemen dat voedsel of water aan de basis lag van de incidenten.
Klinische presentatie
De klinische impact van de shigellosegevallen die hier beschreven werden was reëel. In totaal kwam ongeveer bij tweevijfde van de gevallen in de cluster van de Antwerpse binnenstad een manifest dysenteriebeeld voor. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met vaststellingen van andere auteurs in gelijkaardige outbreaks (1). Van de patiënten werd een percentage van 43% in het ziekenhuis opgenomen. Het expliciete ziektebeeld van bloederige stoelgang, de hoge koorts en het risico op besmetting van andere gezinsleden zijn medeverantwoordelijk voor de hoge graad van ziekenhuisopnames.
Behandeling
De behandeling van Shigella-infecties is afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld en de aanwezigheid van risicofactoren zoals ondervoeding, leeftijd, cardiale pathologie en onderliggende immuundeficiëntie (16). Shigella-infecties zijn een van de weinige oorzaken van gastro-enteritis waar de overweging om antibiotica te nemen iets pregnanter is. De belangrijkste argumenten zijn: versnelde genezing, verkorte uitscheiding van de bacterie in de stoelgang en het voorkomen van ernstige complicaties zoals sepsis en menigitis. Het inschatten van de ernst wordt ondermeer beïnvloed door de aanwezigheid van hoge koorts, de al of niet aanwezigheid van een dysenteriebeeld en verwikkelingen die pleiten voor een systemische aantasting. Lichte infecties moeten niet met antibiotica behandeld worden (1). De antibioticabehandeling gebeurt volgens de resultaten van het antibiogram (17,18,19,20). Sinds 1990, wordt er door het Nationaal Referentiecentrum routinematig toezicht gehouden op de antibioticaresistenties in Shigella. De frequentie van de resistentie tegen co-trimoxazol (trimethoprim-sulfamethoxazol) is zeer hoog. Op die manier werden in het begin van de jaren 90 en 70% in het begin van de jaren 2000 ongeveer 60% van S. sonnei-stammen resistent tegen dit antibioticum. Tetracycline, ampicilline en co-trimoxazol werden voorheen gebruikt als eerste keuze maar ze zijn niet meer doeltreffend over de hele wereld. Nu wordt het gebruik van chinolonen van de tweede generatie als eerste keuze aanbevolen bij volwassenen en azithromycine als tweede keuze (18). De derde generatie cefalosporines geldt als eerste keuze bij kinderen maar is enkel beschikbaar voor parenterale toediening. Op deze manier is azithromycine voor oraal gebruik een eerste keuze behandeling. Opmerkelijk is dat in de cluster in de Antwerpse joodse wijk co-trimoxazole nog in meer dan 50% van de toedieningen van antibiotica als eerste keuze werd voorgeschreven.
Shigellosepreventie kan op diverse niveaus worden aangepakt. Binnen het gezin berust preventie op een goede handhygiëne waarbij de handen na toiletgebruik, bij het verversen van luiers, bij het helpen van kinderen op het toilet en voor het eten, grondig gewassen moeten worden met (vloeibare) zeep en water. Bij voorkeur moeten papieren handdoeken, en papieren wegwerpluiers gebruikt worden. Het toilet moet enkele malen per dag gereinigd worden. Deurkruk, toilethendels, drukknoppen en kranen moeten gereinigd en ontsmet worden (1). Bij kinderen veronderstelt dit eveneens toezicht en het is belangrijk dat ouders hierover specifiek, bij voorkeur mondeling en ook schriftelijk, geïnformeerd worden.
Kinderen met shigellose mogen in ons land in theorie pas terug naar de basisschool na twee negatieve feceskweken met een interval van 24 uur (8).
^top
Besluit
Deze clusters illustreren het feit dat shigellose ook in ons land nog endemisch voorkomt en niet altijd het gevolg is van een besmetting in het buitenland. Alle situaties waarin men samen verblijft in soms moeilijke hygiënische omstandigheden, zijn kwetsbaar. Wegens de hoge besmettelijkheid vereisen deze infecties rigoureuze hygiënische maatregelen waarbij het geven van een antibioticum niet volstaat om de uitbraak onder controle te krijgen. Als men toch een antibioticum moet voorschrijven, moeten artsen rekening houden met de toegenomen resistentie van stammen tegen courante antibiotica. Ten slotte wordt via het onderzoek aangetoond dat nauwe samenwerking tussen clinici, perifere microbiologische laboratoria, het referentielab en diensten infectieziektebestrijding kan leiden tot het adequaat in kaart brengen van infectieziekteclusters en tot een gecoördineerde indijking. PFGE neemt een belangrijke plaats in de onderbouwing van de samenhang van de infecties.
Dankwoord
Hartelijk dank aan allen die betrokken waren bij de detectie, bij de melding en bij de verwerking van de diverse shigellosegevallen.
Summary
Clusters of shigellosis in Antwerp
Shigellosis is an acute highly contagious bacterial enteric infection. Three outbreaks were detected in Antwerp and showed that shigellosis still is endemic. The first outbreak occurred in the Antwerp Jewish community. In total 42 cases were registered. S. sonnei was the common isolated species. A second outbreak with 23 cases could be identified among the residents and the staff of a home for the elderly. The outbreak was caused by S. flexneri B1. A third outbreak with four cases of S. sonnei was seen in the context of a laboratory infection. Different factors were responsible for the high rate of transmission of shigellosis: low infection dose of Shigella, carriage rate after infection, and inappropriate toilet and hand hygiene. A patient with shigellosis can develop a disease characterized by fever, systemic symptoms and bloody mucoid diarrhoea. Due to the increasing resistance of Shigellae in Belgium the first choice for antibiotic treatment is changed. Fluoroquinolones are the first choice for adults and cephalosporines of the third generation are nowadays the first choice for children.
Trefwoorden: Shigellose, Shigella sonnei, Shigella flexneri
Literatuur
1. Dupont HL. Shigella species. In: Principles and Practice Infectious Diseases. Mandell GL, Bennett JE, Dolin R (Eds). New York: Churchill Livingstone 2005: 2655-61.
2. Bertrand S. Jaarverslag 2007 Nationaal referentiecentrum voor Salmonella en Shigella. Brussel: WIV 2007.
3. Musher DM, Musher BL. Contagious acute gastrointestinal infections. N Engl J 2004;351(23): 2417-24.
4. Steenbergen van J, Tiemen A. Landelijke coördinatie infectieziektebestrijding. Bacillaire dysenterie - shigellose. In: LCI-Rchtlijnen Infectieziektebestrijding editie 2008. Steenbergen JE van, Tiemen A, Beaujean DJMA. (Eds). Bilthoven: LCI, Landelijke coördinatie Infectieziektebestrijding 2008: 28-34.
5. Tellingen van C. Observaties bij een dysenterie-epidemie van 1779. Geschiedenis der geneeskunde 2008;4 (12): 208-14.
6. Vermaak MP, Langendam MW, Van den Hoek JAR, Peerbooms PGH, Coutinho RA. Shigellose in Amsterdam 1991-1998: voorkomen en resultaten van contactonderzoek. Ned Tijdschr Geneesk 2000;144 (35): 1688-92.
7. Dienst Infectieziektebestrijding. Vlaamse overheid. Registraties voor infectieziektemeldingen 2005-2008 Brussel: Agentschap Zorg en Gezondheid.
8. De Schrijver K, Lemmens A, Bertrand S, Collard JM, Eilers K. Een laboratoriuminfectie met Shigella sonnei gevolgd door een cluster van secundaire infecties. Tijdschr Geneesk 2007; 63(14-15) 686-90.
9. Mermel LA, Josephson SL, Dempsey J, Parenteau S, Perry C, Magill N. Outbreak of Shigella sonnei in a Clinical Microbiology Laboratory. J Clin Microbiol 1997;3: 3163-5.
10. Grist NR, Emslie JA. Infections in Britisch clinical laboratories 1986-87. J Clin Pathol 1989; 42: 677-9.
11. Vesley D, Hartman HM. Laboratory acquired infections and injuries in laboratories. Am J Public Health 1988;78: 1213-5.
12. Ghosk HK. Laboratory acquired shigellosis. BMJ 1982;285: 695-6.
13. Sutton LS, Shanahan AJ. Laboratory infection with Shigella flexneri 3 and Shigella Hazard group sonnei. J Am Med Ass 1954;154:1420-1.
14. Dadswell JV. Laboratory-acquired shigellosis Br Med J 1972;286: 58.
15. Jonsson J, Alvarez-Castillo MC, Sanz JC, Ramiro R, Ballester E, Echeita MA, Martinez Navarro F. Late detection of a shigellosis outbreak in a school in Madrid. Euro Surveill 2005;10: 571-8.
16. Lewis H, Ethelberg S, Lisby M, Madsen SB, Olsen KE, Rasmussen P, et al. Outbreak of shigellosis in Denmark associated with imported baby corn, August 2007. Euro Surveill 2007;12 (35): 621-5.
17. Thielman NM, Guerrant RL. Acute infectious Diarrhea. N Engl J Med 2004; 350(1): 38-47.
18. Sanford JP, Gilbert DN, Moellering RC, Sande MA, Eliopoulos GM. The Sanford guide to Antimicrobial Therapy 2006-2007. Belgian/Luxembourg 2007: 30.
19. Basualdo W, Arbo A. Randomized comparison of azythromycin versus cefixime for treatment of shigellosis. Ped Infect Dis 2003;22: 374.
20. BAPCOC. Acute gastro-enteritis. In: Belgische gids voor anti-infectieuze behandeling in de ambulante praktijk editie 2008. Brussel: BAPCOC 2008: 67.
1Infectieziektebestrijding Antwerpen, e-mail: koen.deschrijver@wvg.vlaanderen.be
2Afdeling Bacteriologie Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Brussel
3Infectieziektebestrijding Antwerpen
4Microbiologie Sint-Vincentiusziekenhuis Antwerpen
5Afdeling Bacteriologie Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Brussel
6CRA-arts Woon en Zorgcentrum Sint -Elisabeth Duffel
7Microbiologie Campus Stuivenberg Antwerpen
^top