(DOC,203 kB)
(PDF, 785 kB)
Koen De Schrijver
Samenvatting
Shigellose is een acute, erg besmettelijke bacteriële darminfectie die veroorzaakt wordt door besmetting met een Shigella- species. In België worden jaarlijks tussen 300 en 400 Shigellagevallen geregistreerd. Het merendeel van de registraties hebben betrekking op S. sonnei en S. flexneri. De mens vormt vrijwel het enige reservoir en het agens kan direct of indirect van persoon op persoon worden overgedragen. De incubatieperiode bedraagt gemiddeld drie dagen. De ziekte kan zowel een milde vorm aannemen of gepaard gaan met een ernstig dysenteriebeeld. Het prototype van een shigellose begint met koorts en buikpijn. Vervolgens ontwikkelt de patiënt een waterdunne diarree die ten slotte na enkele dagen overgaat in een slijmerige of soms bloederige diarree. Vooral ondervoede kinderen kunnen ernstige complicaties oplopen. De microbiologische diagnose berust op kweek. Bij de minder ernstige vormen verdwijnt het ziektebeeld ook zonder therapie na 4 tot 7 dagen. Bij ernstige ziektebeelden is antibioticabehandeling volgens antibiogram aangewezen. Controle bij een Shigella-outbreak berust vooral op rigoureuze hand- en toilethygiëne. In crèches, scholen en tehuizen zijn bijkomende opvolgmaatregelen noodzakelijk.
^top
Inleiding
Shigellose is een acute erg besmettelijke bacteriële infectie van de terminale ileum en het colon die veroorzaakt wordt door een besmetting met de Gramnegatieve Shigella-bacterie (1). De begrippen shigellose en bacillaire dysenterie worden vaak door elkaar gebruikt. In principe is de bacillaire dysenterie slechts een van de expressievormen van shigellose en verwijst het naar een ziektebeeld dat gekenmerkt is door een combinatie van koorts, frequente slijmerige diarree met bloedbijmenging, vergezeld door algemene symptomen en buikkrampen. Pas in de negentiende eeuw kon onderscheid gemaakt worden tussen amoebendysenterie en bacillaire dysenterie nadat Losch en Shiga respectievelijk de Entamoeba histolytica en de Shiga-bacterie konden isoleren (1,2). In het verleden werden tal van belangrijke Shigella-epidemies beschreven maar vooral in oorlogsomstandigheden kwamen epidemies frequent voor. Op die manier stierven er 44.000 soldaten aan dysenterie tijdens de Amerikaanse burgeroorlog (2).
^top
Etiologie
Shigellabacteriën zijn kleine, Gramnegatieve, onbeweeglijke, staafvormige agentia die behoren tot de familie van de Enterobacteriaceae. Er zijn 47 serotypes beschreven die naar serologische vergelijkbaarheid en biochemische eigenschappen opgesplitst worden in vier serogroepen: groep A (Shigella dysenteriae), groep B (Shigella flexneri), groep C (Shigella boydii) en groep D (Shigella sonnei). Shigella sonnei is in ons land het species dat het meest frequent geïdentificeerd wordt (3).
^top
Epidemiologie
Frequentie
Shigellose komt in België op basis van de gegevens van het netwerk van microbiologische laboratoria voor in orde van grootte van 300 tot 400 gevallen per jaar (3). Dit getal is sinds begin 2000 lichtjes gedaald en is momenteel gestabiliseerd (figuur 1). S. sonnei neemt ongeveer drie vierde van de gevallen voor zijn rekening. Shigellose wordt ook geregistreerd via het netwerk van de verplichte meldingen. In de provincie Antwerpen schommelde de registratie-incidentie in de periode 2005-2007 rond 3 gevallen per 100.000 inwoners. De provincie Antwerpen behoorde samen met Vlaams-Brabant tot de provincies met de hoogste registratie-incidentie (figuur 2) (4). Shigella sonnei komt in ons land samen met S. flexneri endemisch voor. In 2008 bedroeg de registratie-incidentie in Vlaanderen 3,15 per 100.000 en 6,35 per 100.000 in de provincie Antwerpen voor hetzelfde jaar (4).
Figuur 1 Shigella-isolaties in België 1991-2007 (3)
.bmp?n=9198)
Figuur 2 Shigellaregistraties per 10.0000 inwoners in Vlaanderen 2005-2007 (4)

Omvangrijke clusters worden in ons land relatief zelden in kaart gebracht (3). Naar de bron toe konden in 2006 slechts 14,8% van de Belgische geïsoleerde stammen op het referentielaboratorium van het WIV, teruggekoppeld worden aan een recent bezoek aan het buitenland. Naast het voorkomen van Shigella in crèches en instellingen is de infectie ook beschreven als een ziekte die kan worden opgelopen door het drinken van gecontamineerd water of het eten van verontreinigd voedsel (1,2).
Besmettingen in laboratoriumverband zijn bekend, maar worden in ons land relatief zelden gedocumenteerd. (5). Shigella-infecties zijn bekende risico’s voor laboratoriumpersoneel (6-11). De Centers for Disease Control and Prevention schatten het aantal Shigella-infecties in laboratoriumverband op jaarbasis op 0,7 per 1000 laboratoriumwerkers. (8). In 2005 werd ook in de provincie Antwerpen een laboratoriuminfectie met S. sonnei gedetecteerd waarop vier secundaire gevallen in de familie volgden. Vermoedelijk besmette de laborante zich via de reincultuur bij het overenten van de stammen (5). Kwetsbare punten in het laboratorium zijn kraanhendels, wastafels, werkoppervlakken en handvatten van de entlussen maar ook eventueel eten of snoepen op de werkplaats, pipetteren en contact van handen met mond, neus of ogen kunnen problematisch zijn.
Op wereldschaal komen 165 miljoen shigellosegevallen voor per jaar en gaan ze gepaard met een belangrijke sterfte in de ontwikkelingslanden. De meeste gevallen komen voor bij kinderen jonger dan vijf jaar. De ziekte komt vooral voor in tropische en subtropische landen.
Reservoir
De mens is quasi het enige reservoir. Dit geldt trouwens ook voor S. typhi. Bij primaten zijn echter wel Shigella-infecties beschreven. Zo overleden in 1997 drie berggorilla’s in de Amsterdamse dierentuin aan de gevolgen van een shigellose (2).
Besmettingsroute
De besmetting loopt feco-oraal. De minimale dosis is erg laag, in orde van grootte van 100 tot 200 kolonies. Infecties kunnen ook overgedragen worden via voedsel en water maar eveneens via oro-anaal contact of indirect contact via gecontamineerde voorwerpen zoals toiletbril, doorspoeldrukknop, kraan, deurkruk enz. (12,13).
Besmettelijkheid
De bacteriën zijn vrij resistent aan hoge temperaturen en aan een lage pH. Bij weinig licht en bij een relatief hoge vochtigheid en een voldoende hoge omgevingstemperatuur kunnen Shigellae gemiddeld twee tot meer dan 17 dagen overleven (1,2). Ook op besmette handen kunnen de bacteriën verschillende uren overleven. Patiënten zijn vooral erg besmettelijk in de acute fase met excretie van 105-108 bacillen per gram feces. Tot een maand na de aanvang van de ziekte kunnen bacteriën uit de feces gekweekt worden en dit zonder dat er sprake is van klinische diarree. Met een adequate antibioticabehandeling loopt dat terug tot enkele dagen.
Secundaire infecties komen voor in orde van grootte van 10%, afhankelijk van leeftijd, zindelijkheid, overcrowding en armoede. In tegenstelling met cholera en buiktyfus is enkel feces het vehiculum van overdracht.
^top
Pathogenese
Na de invasie van het colonmucosa ontwikkelen de Shigellae zich in het cytoplasma en infecteren van daaruit aanliggende cellen. Daarbij is er sprake van micro-ulcera, erosies, micro-abcessen met slijmproductie en bloedverlies. In tegenstelling met Salmonellabacteriën blijft de invasie oppervlakkig - boven de lamina propria - wat verklaart dat er relatief zelden Shigellae in bloed gekweekt kunnen worden.
Shigatoxines 1 en 2 die de eiwitproductie in de mitochondriën kunnen onderbreken, spelen samen met andere toxines een rol in de virulentie en de pathogeniciteit van de infectie met ontwikkeling van een hemolytisch uremisch syndroom.
^top
Ziektebeeld
De incubatieperiode bedraagt een tot zeven dagen met drie dagen als gemiddelde.
Het ziektebeeld kan zowel asymptomatisch, mild of fulminant verlopen en is in zijn typische vorm gekenmerkt door een ernstige koortsige slijmerige en bloederige diarree die gepaard gaat met algemene symptomen.
De ziekte begint met koorts en buikkrampen en wordt gevolgd door aanvankelijk waterdunne diarree. Na enkele dagen ontstaat dan een slijmerige, bloederige diarree. De meeste gevallen genezen binnen vijf tot tien dagen ook zonder therapie.
De ziekte kan verwikkeld worden met dehydratie, colonperforatie, bloedingen, convulsies, encephalopathie, het syndroom van Reiter (conjunctivitis, urethritis en een reactieve arthritis) en het hemolytisch uremisch syndroom (1,2).
Convulsies kunnen een belangrijke complicatie zijn bij jonge kinderen. Vooral jonge kinderen, ouderen en personen met comorbiditeit en immuunstoornissen (HIV, hypogammaglobulinemie) hebben een grotere kans op een ernstig verloop.
^top
Diagnostiek
Op klinisch vlak is de aanwezigheid van koorts een belangrijk diagnostisch signaal. Shigellosepatiënten maken meestal koorts of zelfs hoge koorts wat niet geldt bij amoebendysenterie en bij coli-infecties (1,3,4). De diagnose wordt gesteld op basis van klinische symptomen en kweek en na uitsluiting van een amoebeninfectie. Voor clusteronderzoek is de Pulsed Field Gel Electrophoresis-techniek een belangrijk instrument. De einddiagnose wordt gesteld op basis van feceskweek. Bij microscopisch onderzoek ziet men veel leucocyten in het directe fecesuitstrijkpreparaat. Klinisch onderzoek is a-specifiek (koorts, abdominale gevoeligheid) (1,2).
Microbiologische diagnose
De feceskweek gebeurt op een selectief medium (Mac Conckey agar of XLD of SS agar). De resultaten van de kweek zijn afhankelijk van de snelheid van het afleveren van het staal op het lab. Het antibiogram is bepalend naar de keuze van de antibiotica. Rectal swabbing is geen goed alternatief voor kweek (1).
^top
Differentiaal diagnose
Bij een acute diarree die langer dan twee dagen duurt en die gepaard gaat met koorts en met de aanwezigheid van slijm (mucus) of bloed in de feces, moet men denken aan een shigellose.
Bij de differentiale diagnose moet men behalve amoebendysenterie (Entamaoeba histolytica), ook andere oorzaken overwegen zoals een salmonellose, een campylobacteriose, yersiniose, infecties met Clostridium difficile en giardiase (Giardia lamblia), virusinfecties en E. coli-infecties. In tabel 1 is een overzicht opgenomen van relevante klinische kenmerken van pathogene agentia die verantwoordelijk kunnen zijn voor een acute gastro-enteritis (12,13)
Tabel 1 Overzicht van klinische kenmerken van pathogene agentia bij acute darminfecties (12)
| Pathogeen agens |
Koorts
|
Buikpijn
|
Bloederige faeces
|
Braken en nausea
|
Shigellose
|
+++
|
+++
|
+++
|
++
|
Samonellose
|
+++
|
+++
|
+
|
+
|
VTEC-infectie
|
-/+
|
+++
|
+++
|
+
|
Amoebendysenterie
|
+
|
+
|
++
|
+
|
Campylobacteriose
|
+++
|
+++
|
+
|
+
|
Yersiniose
|
+++
|
+++
|
+
|
+
|
Clostridium difficile-infectie
|
+
|
+
|
+
|
++
|
Tabel 2 Pathogene maagdarmagentia en besmettingsomstandigheden
| Pathogeen agens |
Besmettingsomstandigheden |
| Salmonella |
Voedselgebonden |
| Campylobacter |
Voedselgebonden |
| Shigella |
Persoon op persoon |
| VTEC |
Voedselgebonden |
| Yersinia |
Voedselgebonden |
| Norovirus |
Voedsel en gesloten gemeenschappen |
| Entamoeba histolytica |
Import na reis |
| Giardia |
Créche, reis, voeding, water |
| C.difficile |
Nosocomiaal |
^top
Behandeling
Curatieve behandeling
Net zoals bij andere maagdarminfecties ligt de klemtoon op de eerste plaats op het voorkomen van vochtverlies en het compenseren van de verloren hoeveelheid vocht en electrolyten.
De specifieke behandeling van Shigella-infecties is afhankelijk van de ernst van het ziektebeeld en de aanwezigheid van risicofactoren zoals ondervoeding, leeftijd, cardiale pathologie en immuundeficiëntie. De ernst hangt ondermeer samen met koorts, aanwezigheid van dysenteriebeeld en verwikkelingen. Lichte infecties moeten niet met antibiotica behandeld worden en de antibioticabehandeling wordt gegeven volgens de resultaten van het antibiogram (15).
Sinds de jaren 90, wordt door het Nationaal Referentiecentrum routinematig toezicht gehouden op de antibioticaresistenties voor Shigella. De frequentie van de resistentie tegen co-trimoxazole (trimethoprim-sulfamethoxazole) voor al de Shigellastammen samen is hoog en bedroeg in 2007 53% (2). Al in 1990 waren 60% van S. sonnei-stammen resistent tegen dit antibioticum. In 2000 is dit opgelopen tot 70%. De resistentie tegen co-trimoxazole haalt sinds 2003 de drempel van 90% voor S. sonnei-stammen. Tetracycline, ampicilline en co-trimoxazole werden voorheen gebruikt als eerste keuze maar ze zijn momenteel wereldwijd niet meer doeltreffend. Nu wordt het gebruik van chinolonen als eerste keuze aanbevolen bij volwassenen, met de derde generatie cefalosporines als tweede keuze. Bij kinderen zijn cefalosporines de eerste keuze. Maar omdat er geen orale vorm voor kinderen van bestaat, geniet azithromycine in een driedaagse kuur van 10 mg per kg, bij kinderen de voorkeur (14,15,16). Antibiotica toediening versnelt de genezing en verkort de uitscheiding van Shigellabacteriën in de feces. Ook voorkomt het de ontwikkeling van ernstige complicaties zoals sepsis en meningitis. Op die manier is een shigellose een van weinige bacteriële gastro-intestinale infecties waarvoor antibiotica aangewezen is. Parenterale behandeling is aangewezen bij patiënten die geen perorale behandeling kunnen krijgen, bij patiënten met immuundeficiëntie en bij personen die een toxemie vertonen met verhoogde koorts (> 39°C, hypothermie, lethargie en sterk verhoogde leucocytose) (1).
^top
Preventie en indijking
Primaire preventie is afhankelijk van de hand- en toilethygiëne in de diverse betrokken leefgemeenschappen. Het is duidelijk dat dit in gezinnen met een groot aantal kinderen waarvan sommige nog luiers dragen potentieel problematisch is.
Het belang van vroegtijdige alertering en het nemen van de nodige coördinatiemaatregelen maken deel uit van een gerichte aanpak.
Secundaire besmettingen in gezinsverband komen volgens de literatuur in orde van grootte van 15% tot 25% van de gevallen voor (1,6). Naast de vermelde problemen kan de bacterie ook vooral als er weinig licht is of bij hoge vochtigheid en voldoende hoge omgevingstemperatuur in feces overleven gedurende een periode die varieert van enkele tot 17 dagen (1). Dit is ondermeer het geval voor een toilet. Op besmette handen kunnen de staven enkele uren overleven. Dit alles brengt mee dat Shigella-infecties zowel direct als indirect gemakkelijk overdraagbaar zijn. Ook voedsel, water en vliegen kunnen aan de basis liggen van een infectie. Op die manier zijn verdere infecties binnen het gezin niet uitgesloten en zijn ook crèches en kinderopvangtehuizen potentiële bronnen. Samen met Salmonella typhi- (102- 103 KVE), Rotavirus, Norovirus-, Giardia lamblia - en Cryptosporidium (1-2 cysten)-infecties behoren Shigella-infecties (102 organismen) tot de groep van erg besmettelijke maagdarminfecties die overdraagbaar zijn van persoon op persoon. De relatieve ongevoeligheid van Shigella voor een lage pH verklaart de lage infectiedosis (3).
Informatie, toezicht, training, vaste procedures, adequate reiniging en desinfectie nemen een centrale plaats in (1,12,13,14,15). Hoe dan ook blijven hand- en toilethygiëne cruciaal voor preventie. Voor werknemers die in de verzorgingssector werken en voor werknemers die contact hebben met levensmiddelen geldt het advies om werkhervatting slechts te overwegen na twee negatieve feceskweken (1).
Preventie van shigellosen kan op diverse niveaus aangepakt worden. Binnen het gezin berust de preventie op een goede handhygiëne waarbij de handen na toiletgebruik, bij het verversen van luiers, bij het helpen naar het toilet te gaan van kinderen en ook voor het eten, grondig gewassen moeten worden met (vloeibare) zeep en water. Bij voorkeur moeten papieren handdoeken en papieren wegwerpluiers gebruikt worden. Het toilet moet dagelijks proper gemaakt worden waarbij tijdens het onderhoud rubberen handschoenen gedragen moeten worden. Deurknoppen, toilethendels, drukknoppen en kranen moeten eveneens gereinigd en ontsmet worden (1). Bij kinderen veronderstelt dit eveneens toezicht en ouders moeten daarvoor specifiek bij voorkeur mondeling en ook schriftelijk geïnformeerd worden.
Kinderen met shigellose mogen in ons land pas terug naar de basisschool na twee negatieve feceskweken met een interval van 24 uur. Gezinscontacten moeten in theorie een negatieve kweek hebben (2). In ziekenhuisverband berust de preventie op barrièreverpleging die geldt voor darm- en urineweginfecties. Contactisolatie voor kinderen jonger dan zes jaar en het dragen van handschoenen bij direct contact, handhygiëne, het niet dragen van ringen, het dragen van schorten, het adequaat manipuleren van bevuilde voorwerpen, instrumenten luiers en correcte schoonmaakprocedures zijn hierbij aan de orde.
Summary
Shigellosis epidemiological and clinical aspects
Shigellosis is an acute bacterial contagious enteric disease caused by a Shigella species. S. sonnei and S. flexneri are the most frequently registered species in Belgium, accounting for 300 to 400 cases yearly. The typical disease is characterised by loose stools accompanied by fever and cramps. In typical cases the stools contain blood and mucus. Mild and asymptomatic infections occur. The illness is mostly self-limited, lasting on average 4-7 days. The first symptoms are fever and abdominal cramping, followed by voluminous watery stools. In a day or two bloody mucoid stools may develop. In malnourished children the clinical illness is more striking and is accompanied by more severe complications. Microbiologic diagnosis is based on stool cultures. Antibiotics are useful for more severe cases. The choice of antibiotics is based on susceptibility of the strains. Hand washing and toilet hygiene are the most important control measures in most settings especially in day care centres, schools, and institutions.
Trefwoorden: shigellose, Shigella
Literatuur
1. Dupont HL. Shigella species. In: Principles and practice infectious diseases. Mandell GL, Bennet JE, Dolin R (Eds). New York: Churchill Livingstone 2004: 2655-61.
2. Steenbergen van J, Tiemen A, Beaujean DJMA. Bacillaire dysenterie - shigellose. In: LCI-Rchtlijnen Infectieziektebestrijding editie 2008. Steenbergen JE van, Tiemen A, Beaujean DJMA. (Eds). Bilthoven: LCI, Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding 2008: 28-34.
3. Collard JM, Bertrand S. Jaarverslag 2007 Nationaal Referentiecentrum voor Salmonella en Shigella. Brussel: WIV 2007.
4. Dienst Infectieziektebestrijding. Vlaamse overheid. Registraties voor infectieziektemeldingen 2005-2008 Brussel: Agentschap Zorg en Gezondheid 2008.
5. De Schrijver K, Lemmens A, Bertrand S, Collard JM, Eilers K. Een laboratoriuminfectie met Shigella sonnei gevolgd door een cluster van secundaire infecties. Tijdschr Geneesk 2007;63(14-15) 686-90.
6. Mermel LA, Josephson SL, Dempsey J, Parenteau S, Perry C, Magill N. Outbreak of Shigella sonnei in a Clinical Microbiology Laboratory. J Clin Microbiol 1997;3: 3163-5.
7. Grist NR, Emslie JA. Infections in Britisch clinical laboratories 1986-87. J Clin Pathol 1989;42:677-9.
8. Vesley D, Hartman HM. Laboratory acquired infections and injuries in laboratories. Am J Public Health 1988;78: 1213-5.
9. Ghosk HK. Laboratory acquired shigellosis. BMJ 1982;285: 695-6.
10. Sutton LS, Shanahan AJ. Laboratory infection with Shigella flexneri 3 and Shigella Hazard group sonnei. J Am Med Ass 1954;154:1420-1.
11. Dadswell JV. Laboratory-acquired shigellosis Br Med J 1972;286: 58.
12. Musher DM, Musher BL. Contagious acute gastrointestinal infections. N Engl J 2004:351;23: 2417-24.
13. Thielman NM, Guerrant RL. Acute infectious Diarrhea. N Engl J Med 2004;350(1): 38-47.
14. Sanford JP, Gilbert DN, Moellering RC, Sande MA, Eliopoulos GM. The Sanford guide to Antimicrobial Therapy 2006-2007. Belgian/Luxembourg 2007: 30.
15. Basualdo W, Arbo A. Randomized comparison of azythromycin versus cefixime for treatment of shigellosis. Ped Infect Dis 2003;22: 374.
16. BAPCOC. Acute gastro-enteritis. In: Belgische gids voor anti-infectieuze behandeling in de ambulante praktijk editie 2008. Brussel: BAPCOC 2008: 67.
^top